U bent hier
Home > Nieuws > Marc Reugebrink bij Boeken bij Betje

Marc Reugebrink bij Boeken bij Betje

Vrijdagavond 8 maart begon om acht uur de literaire avond met Marc Reugebrink in het Agrarisch museum Westerhem. Na het welkomstwoord van Janet Smit-van der Veen en een korte inleiding van José Ferninandus over de schrijver, begon Alexander Reeuwijk vragen te stellen aan de schrijver. Marc die samen met zijn partner helemaal uit België was gekomen naar de Beemster, vertelde honderduit over hoe hij schreef, welke schrijvers hem geïnspireerd hadden en waarom de Vlamingen toch manders en serieuzer om gaan met de Nederlandse taal en boeken dan de Hollander. Daar had zeker ook de taalstrijd mee te maken, waarbij de grenzen tussen het Frans, en Vlaams pas in 1963 werden vastgelegd en het gegeven dat de Nederlander meer Angel Saksisch gericht is, de blik meer naar buiten heeft. Het werd een leuke en amusante avond waar veel over literatuur en boeken gesproken werd. Het onderwijs kwam ook hierbij veelvuldig ter sprake, omdat er veel ergernis leeft over het gebrek aan goed literatuuronderwijs. Ook het verdwijnen van bijvoorbeeld de faculteit Nederlands aan de VU en het vervangen van het Nederlands door het Engels dat op diverse universiteiten is ingevoerd, past in dit beeld. Als kers op de taart besloot de schrijver de avond met het zingen van het loreley-lied geschreven door de bekende romanticus Heinrich Heine. Hij is ook een inspiratiebron van de schrijver, die van de Duitse taal houdt waar lange zinnen met tangconstructies nog steeds alom geschreven worden. Na de nodige vragen van het publiek, was er weer het hapje en drankje en kon je de schrijver nog even spreken of een boek laten signeren die je op het kraampje bij José kon kopen. Weer een zeer interessante en gezellige avond in het vierkant van het Westerhem, waar ook nog gerefereerd werd aan het politieke debat dat momenteel woedt in Nederland. De volgende avond is met Mensje van Keulen op vrijdag 12 april.

Invloeden en werkwijze

Wat hij van de zolder van Betje vind? De schrijver vertelt dat de keurige ordening van boeken op Kipperust in schril contrast staat met de boekenberg bij hem thuis waar ook links en rechts boeken op de vloer liggen, waarvan er vele nog gelezen moeten worden. Dat is ook natuurlijk te wijten aan de enorme vloed van publicaties die de aardbol teistert. Waar Betje hogelijk beïnvloed is geweest door Rousseau, noemt hij Ter Braak, Du Perron en Elias Cannetti als bronnen. De essays van Ter Braak hebben hem gevormd. Zijn strijd tegen de idealisering van het ressentiment is nog steeds actueel. Marc vindt dat de klassiekers als bijvoorbeeld Vestdijk de man die sneller schreef dan God kon lezen, ten onrechte in Nederland aan de kant zijn geschoven. Dit hooggebergte van de Nederlandse literatuur moet net als andere giganten als Claus bovenaan de literatuurlijst staan. Er volgt dan een discussie over de teloorgang van het literatuuronderwijs aan de scholen, waar het functionalisme voorop staat van bijvoorbeeld een sollicitatiebrief schrijven. De teneur is dat het onderwijs verwoestend bezig is geweest. Daartegenover staat dat de jongeren van vandaag schromelijk onderschat worden en dat er veel meer mogelijk is dan nu onderwezen wordt. Wat betreft de manier van schrijven, lijkt Marc niet het ventisme aan te hangen van van Ter Braak en Du Perron. Zij stelden dat de inhoud belangrijker was dan de vorm en die inhoud kon in gewone taal gezegd worden, zonder ingewikkeld te hoeven doen. Marc Reugebrink daarentegen werkt eerst uit vanuit de vorm, en die vorm bepaalt dan vervolgens de inhoud. Onder die vorm begint zich dan een onderstroom te vormen, die hij als een soort muziek gaat volgen, als een soort mystiek proces. Wat dat is? Er moet onder het platte van de vorm iets zitten, dat is geen boodschap maar misschien zijn eigen blinde vlek. Marc Reugebrink werkt dus niet met schema’s of allerlei ingewikkelde plotlijnen, wel maakt hij onderweg bepaalde keuzes, zijn laatste boek had bijvoorbeeld makkelijk tweemaal dikker kunnen zijn geweest als hij wat meer ingezoomd had op bepaalde personages.

Over zijn laatste boek Zout

Alexander van Reeuwijk noemt dit boek een trendbreuk met zijn vorige werk. Dit boek vindt hij helemaal fictioneel en bevat geen autobiografische elementen. De schrijver vertelt iets over de aanleiding om dit boek te schrijven. Dat begon in Turnhout waar een man woonde, die alles wist over de stad, zo’n man die je in elk plaatsje kan tegenkomen, ook in de Beemster en die meestal begint met de zin: wist je dat… Die man vertelde hem dat er in Turnhout ooit een olieboortoren op de markt had gestaan. Dat gegeven combineerde hij met de verhalen over zoutwinning in Twente. Daarvan maakte hij een amalgaam dat resulteerde in het verhaal over een Baron in Twente die naarstig zocht naar gezond, zuiver drinkwater in een dorp in de negentiende eeuw, waar men liever alcohol dronk dan het vervuilde water. De baron ging fanatiek door met zijn queeste, maar vond alleen maar zout water. Ondertussen waren overal in het dorp grote gaten ontstaan, en rondom die gaten verzamelde zich vaak honden, als een soort vreemde, en unheimische toeschouwers van deze merkwaardige dorpstaferelen. De schrijver leest een stukje voor uit dit merkwaardige boek. Het is een beschrijving van het ritueel van aankleden dat de barones elke ochtend heeft en waarbij het kamermeisje een dominante rol heeft in de keuze van de kleding. Hiervoor heeft hij zich wel degelijk verdiept in wat de mensen zoal droegen aan kleding in die tijd, zodat er geen anachronismen ontstaan. Daarmee is het boek toch wel gegrond in de negentiende-eeuwse realiteit met kleding, rangen en standen, en omgangsvormen. Het wordt dan ook wel in sommige recensies een historische komedie genoemd.

Een verborgen maatschappijkritische fabel?

De schrijver krijgt vaak de vraag wat hij toch wel bedoelt heeft met deze roman? Vele mensen herkennen situaties erin en vragen dan of dat klopt. Iemand uit het gezelschap vindt allerlei overeenkomsten met de Jordaan in die tijd. Maar het lijkt ook te gaan over een maatschappij die maar niet wil veranderen, waar steeds maar weer hetzelfde gebeurt ook al leidt dat tot ongelukken, bijvoorbeeld dorpelingen die in de gaten vallen. Het zuiver water wordt maar niet gevonden. Honden lijken de dreiging te personifiëren als een soort voorbode van onheil. Gaat dit soms over onze tijd waarin we doorgaan met stikstof lozen en plastic produceren? Ineens heeft iedereen het over debat van gisteren tussen de politici en de vele stemmen die nu bijvoorbeeld T. Baudet krijgt, want die meent immers dat het allemaal zo vaart niet loopt en dat we gewoon rustig door kunnen gaan op de ingeslagen weg… De dominee in het dorp stopt met hel en verdoemenis te preken, als zijn vrouw in een gat valt en met een gebroken been ternauwernood eruit gered wordt, terwijl de honden al voor haar blaften. Voortaan preekt hij de genade Gods, maar dat valt niet in goede aarde bij de dorpelingen, Zij willen hel en de verdoemenis horen. Immers alles dient te blijven zoals het is, zoals ook in het bekende rijmpje uit de Pruikentijd ‘Ze dronken een glas, zij deden een plas en alles bleef zoals het was. Als de weemoedige klanken klinken van het loreleyliedje, waarin de zeeman verblindt door de verlokkingen van de betoverende sirene op de rots, het leven laat, ervaren wij de schrijver als troubadour aan het hof van een weldoorvoede maatschappij die ons herinnert wat er gebeuren kan als we onze blik niet meer richten op de reële gevaren, maar stuurloos sterven onder invloed van de waas van kortstondig geluk.

Cor Wagenaar

Top