U bent hier
Home > Nieuws > De Beemster Kermis; in twee Gezangen (deel 1)

De Beemster Kermis; in twee Gezangen (deel 1)

Jan Bartelink

In 1874 wordt in Leiden gedrukt De Beemster Kermis; in twee gezangen. Geschreven door de in 1729 in Enkhuizen geboren Jan Bartelink. Zestig jaar later herdrukt bij Broedelet en Rijkenberg. In het ‘boertig gedicht’ beschrijft Bartelink zijn tweedaagse bezoek aan wat hij zelf een handelsmarkt noemt in Middenbeemster. In goed en vrolijk gezelschap rijdt hij met paard en wagen via Avenhorn, waar een pijpje opgestoken en een brandewijn gedronken wordt, naar de Buurt. Over de heenreis in de Beemster schrijft hij:

“Men rijdt de kleilaan door, getakt met iepenbomen
Voor ’t steken van de zon, de tochtsloot likt haar zomen
Met visrijkwater, waar en snoek en baars in aast,
Terwijl de koe en ’t schaap en ’t paard in ’t klaver graast:
Men komt in ’t middelpunt, ‘k zie arm en rijk vergaderd,
Die om de koopmanschap in paarden zijn genaderd,
Hier krielt het staag van volk, men eist, men biedt, men slaat
Bij beurten in de hand, de koop raakt klaar, “.

Hij beschrijft hoe een paard na ‘handjeklap’ van eigenaar verwisselt en de afrekening onder het genot van een versnapering plaats vindt. Maar het zijn niet louter sierlijke rijpaarden:

“Ik ga van hier, en kom, daar de oude knollen staan
’t Zijn oude merries met stramme en stijve leden,
Bezet met bosschen, doch in vroeger tijd bereden
Door grote heren, en met dubbele munt betaald,
Toen zij, van zessen klaar, uit Friesland zijn gehaald,
Frans handelt hier met Jaap, en zonder lang te gekken,
Koopt een loborig paard, om de askar voort te trekken,”

Het middagmaal gebruikt Bartelink bij boer Krelis en zijn vrouw Marij Jans. Zij gebruikt het woord Kermis en Kermismaal. Natuurlijk wordt er ook gedronken: een grote kruik met brandewijn met suiker gaat rond en alle gasten nemen hieruit. Dikke sneden brood vergezellen de grauwe erwten met rozijnen in het vet. Ook andere lekkernijen verschijnen op tafel. Dan gaat hij weer op stap. Langs een gebakkraam waar een verliefd stelletje, Trijn Joris en haar Piet, ruim stroop op hun warme bollebuisjes (poffertjes?; GH) ‘slingeren’.

“Piet veegt, met zoen op zoen, het vet van heur besmulde
En zoete lippen af, hij raakt de net gekrulde
En wuissche lokken met den voorpunt van zijn hoed, “

Even verderop verhaalt een ‘rijmelaar’ over de toestand in Europa en de bedenkelijke rol van het vaderland daarin. Bartelink vindt het maar niets en vervolgt snel zijn weg. Niet veel verder treft hij een kwakzalver met zijn knecht. Van top tot teen getooid in tanden en kiezen om enige waardigheid aan te ontlenen. Zij brengen een drankje aan de man tegen allerlei kwalen:

“Voor wurmen in de maag heb ik tinktuur te koop,
De hoofdpijn, zinkingen en andere ongemakken
Kan ik genezen, ‘k heb elixer om te kakken,”

Ondertussen verhaalt hij welke ongelofelijke wonderen hij allemaal verricht heeft.

“Ik bied mijn labdoos aan voor mensen, jong en oud,
Voor het Scorbuticum, voor killingen der tanden,
Hier heb ik balsem voor bevroozen zomerhanden:
Laatst sneed ik bestemoer een eksteroog van ’t oor,
Zij voelde in ’t minst geen pijn: ai vrienden! wat gehoor,
Ik geef voor weinig geld opkoesterende pleisters,
Voor zwelling in de buik van vrouwen, meiden, neiſters,
En voor een kwadenbek tandpoeder; Medicijn
Geweekt op uwe maag met een stoop brandewijn,”

Helaas maakt een uit de bocht vliegende paard en wagen snel een einde aan dit tafereel. Bartelink loopt lang een Kolfbaan waar om drank gestreden wordt. Muzikanten laten hun deuntjes klinken. Er wordt gedanst.

“Een jonge boeren kwant, die jongst door ’t erf van peetjen
En huis en land en vee en haaf bekomen had,
Verscheen daar met een meid, zijn hoed was nieuw en glad,
En rustte op ’t rechter oor, zijn rokjen stond hem aardig,
Hij was gepoeierd, en gesmeerd, en danste vaardig
Op dunne schoentjes van kamuis in vrolijkheid,
Met Gautien, die hij reeds drie jaren had gevrijd,
Hij sabbelt, streelt, en aait haar dikke en bolle wangen,
Waaraan zijn lippen door het zuigen blijven hangen: “

Her en der wordt iets te diep in het glaasje gekeken en de sfeer wordt grimmiger:

“Maar onder al ’t gewoel en dartelen en zingen,
Zag ik een losbol met het mes te voorschijn springen,
Hij schreeuwt:,,Koom hier JanszTheun (en raast en scheldt verwoed)
Koom met mij buiten, of ik veeg jouw deur jouw snoet,
Met dezen schuier zel ik jouw het smoelwerk vegen,
Koom, rekel, trek van leer.” Jansz Theunis onverlegen
Trekt fluks, en zegt:,,Stavast…stavast, jouw hond… dat ’s raak.”
Hij sneedt dien twister door het dikste van zijn kaak:
’t Gezelschap woelde in ’t wild, de bank wierd omgesmeten,
De stoelen heen geschopt, de meid vloog, nat bekreten,
Den vrijer om den hals, terwijl ik onbelust
Naar zulk vermaak, vertrok, genegen tot de rust.”

Wordt vervolgd

Geert

Top