U bent hier
Home > Nieuws > ‘Emobiografie’ over Betje Wolff

‘Emobiografie’ over Betje Wolff

Emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde (“maar nog wel met een 0-urencontract bij de UvA”) Marita Mathijsen is bezig met het schrijven van een emobiografie over Betje Wolff. Woensdagavond 9 november sprak zij in een uitverkocht Onder de Linden over haar vorderingen. 

Wie onderzoek doet naar het leven van Elisabeth Bekker (soms ook met een z geschreven)  komt vroeg of laat onvermijdelijk terecht in de voormalige pastorie in Middenbeemster. Daar heeft zij immers 17 jaar lang met haar man predikant Adrianus Wolff gewoond. Bij haar eerste (anonieme) bezoek liet Marita  haar visitekaartje achter. Zo is het hechte contact met conservator Alie Vis tot stand gekomen. 

Wie naar de levensloop van Betje (“ze ondertekende haar persoonlijke brieven met deze koosnaam”) kijkt, beseft dat haar persoonlijke geschiedenis redelijk turbulent genoemd mag worden.  Geboren (1738) en getogen als jongste dochter in een hogere middenklasse ondernemersgezin (“handel in voornamelijk tabak”) in het streng Christelijke Zeeuwse Vlissingen. Tenger en met een broze gezondheid. Haar moeder, met wie ze de belangstelling voor de alfa kant van het leven (theater, kunst, literatuur)  deelde, overlijdt als Betje 14 jaar is. Voor haar vader en broers golden als ondernemers vooral de ‘economische wetten’. Betje was voorbestemd om aan een ‘goede partij’ gekoppeld te worden.  Aan dat perspectief kwam daags na haar 17e verjaardag abrupt een eind toen ze besloot om enkele dagen op stap te gaan met de enkele jaren oudere domineeszoon en soldaat Matthijs Gargon.  (“Uit haar brieven hierover durf ik de stelling aan dat ze smoorverliefd op hem was”). Betje geraakt hierdoor in een kwetsbare periode in haar leven (pubertijd en adolescentie) in een diep sociaal isolement. Zowel binnen haar familie als in de Walcherse gemeenschap. En dan komt ze begin twintig door de uitgifte van een intrigerend boek van dominee Wolff in contact met deze ruim dertig jaar oudere weduwnaar uit Middenbeemster. Een jaar lang is er via briefwisseling contact. Vooral over hun wederzijdse passie voor ‘de literatuur’.  “Wolff is er van overtuigd dat je een preek boeiend kan maken door deze aan te passen aan het publiek”. Er worden zelfs silhouet knipsels  uitgewisseld. (“ik ben nog steeds naarstig op zoek naar een afbeelding van Wolff”). Kortom: dominee reist af naar Vlissingen om ‘haar hand te vragen’ aan vader Bekker. Zoals de etiquette in die tijd vereiste. Daar ontmoet Betje voor het eerst haar toekomstige man. (“vijftigers oogden en roken in die tijd ongetwijfeld ouder dan tegenwoordig”) . Na de contractuele vastlegging van de ‘overeenkomst’ (‘verloving’) vertrekt Betje met man en broer als mannelijke chaperonne richting de Beemster. Daar ontmoet ze haar stiefdochter (uit het eerste huwelijk van dominee) en trouwt ze als 21 jarige in ‘zijn’ kerk (nu Keyserkerk) met de 54 jarige plattelands predikant. Hier bouwt ze gestaag aan een eigen sociale netwerk. Binnen de polder maar ook in bijvoorbeeld Hoorn en Amsterdam. Overwegend (jonge) vrouwen die net als zij geïnteresseerd zijn in literatuur. In die tijd een door mannen gedomineerd bolwerk. Deze interesse zal in onze tijd (en wellicht ook wel in haar tijd) geregeld tot speculaties leiden. Bij rondleiding krijg ik steevast de vraag of Betje lesbisch is. Marita doet daar geen uitspraak over. “Vrouwen zochten elkaar als zielsverwanten veelvuldig op. Er was meer fysiek contact tussen vrouwen en het bed werd bij overnachtingen vaker gedeeld. Het is lastig om dit te duiden”. Van een ‘villa’ in Vlissingen  naar een bedompte kleine pastorie (“de sporen van dominees eerste vrouw Maria Kaiser waren nog lang nadrukkelijk in het pand aanwezig”).  Vooral ’s  winters (onverharde wegen) onaangenaam. (‘Spitsbergen’).

Betje heeft in de pastorie haar eigen boekenkamertje (‘kipperust’) waardoor ze zich in alle rust kan wijden aan haar literaire aspiraties.  Ze kan daarbij putten uit door vrienden opgestuurde boeken maar ook uit de omvangrijke bibliotheek van haar eigen man (“In de boedelbeschrijving na het overlijden van dominee prijken wel zeshonderd titels”). Ze ontwikkelt zich hier steeds meer als een erudiete verlichte (‘tolerantie’) vrouw. Allicht gevoed door haar negatieve ervaringen en aanvaringen met de streng in de leer zijnde dominante mannelijke cultuur. (“alsof ze wraak wil nemen op de ervaren schijnheiligheid van de hervormde kerk”)  Aanvankelijk vooral poëtisch van aard. Later kiest ze andere voor die tijd moderne stijlen van communicatie. Ze creëert haar eigen lezerspubliek en krijgt een eigen uitgever.  (“ ‘Bespiegelingen over het genoegen’, niet haar allerbeste werk”). Mathijsen: “Betje schept haar eigen podium en dit heeft ze nog om boven zichzelf uit te stijgen. Om te groeien. Om lef te krijgen. Ik vergelijk het weleens met mijn eigen hondje. Bedaard als ie op de grond loopt maar kefferig als ik hem optil”.

Een jaar voor het overlijden van haar man in 1877 (verwoord  in een prachtig overlijdensbericht) leert ze Aagje Deken kennen. Na het overlijden van Adrianus, komt Aagje naar de Beemster om haar bij te staan in haar verdriet. Ze zal niet meer wijken van de zijde van Betje. Om plaats te maken voor de nieuwe dominee, verhuizen ze aanvankelijk naar de Rijp. Hun naamsbekendheid en vermogen (“vooral na de publicatie van de ‘Historie van de mejuffrouw Sara Burgerhart’”) groeit. Ze kopen aanvankelijk  de  buitenplaats Lommerlust in Beverwijk (literaire ontmoetingsplaats) en emigreren als de grond te heet onder de voeten wordt in 1788 (Pruisisch leger komt stadhouder Willem V te hulp) naar Trévoux in Frankrijk. (“Bij mijn bezoek aan wat nu een retraite voor bejaarde nonnen is, ontdek ik dat Betje parallel aan haar schrijvershuisje in Beverwijk  ook hier een ‘kluisje’ heeft laten bouwen”). Nog is de gifbeker niet geheel leeg. De politieke situatie in Frankrijk verslechtert  (“dankzij goede advocaten hebben ze het schrikbewind letterlijk kunnen overleven”).  Als ook nog hun belegde kapitaal in de Nederlanden  door malversaties verdampt, keren ze berooid terug (1797) naar Den Haag en trekken in bij hun nichtje.  Niet alleen hun geld maar ook hun roem is na de tien Franse jaren verdampt. Betje overlijdt na een jarenlange lijdensweg (“kanker”) in 1804. Tien dagen later gevolgd door haar hartsvriendin Aagje. Quelle malheur.  

In 1984 heeft Piet (P.J.) Buijnsters (‘Wolf en Deken’) een al jaren uitverkochte biografie over hun leven geschreven. Marita: “Ik heb contact met hem over mijn plannen. Ik noem het een emobiografie. Ik richt me hoofdzakelijk op Betje. Behoudens een aantal ontdekte brieven in het Engelse admiraliteitsarchief zijn er geen nieuwe bronnen ontdekt die ingrijpende nieuwe inzichten rechtvaardigen. Daarom richt ik met vanuit het vrouwelijk perspectief meer op de gevoelskant van Betje. Hoe zij haar turbulente leven ervaren moet hebben.  Uiteraard wel wetenschappelijk verantwoord en onderbouwd (noten en literatuurlijst). Maar zoals gezegd vanuit een ander perspectief. Met meer ruimte voor interpretaties”. Uitgeverij is Balans/Amsterdam. (datum nog onbekend). 

Geert

Top