U bent hier
Home > Nieuws > Engbert (Bert) Finnema

Engbert (Bert) Finnema

Recentelijk is de gemeenteraad akkoord gegaan met de uitgangspunten om de locatie ‘De Vermaning’ op de hoek Middenweg/Hobrederweg te ontwikkelen. Dat zou met name gevolgen hebben voor de diaconiewoningen. De laatste decennia bewoond door de familie Finnema. Onderstaand een persoonlijk verhaal van Engbert (Bert) Finnema over zijn voormalige woonplek. Een artikel in breder perspectief over deze locatie is in voorbereiding.

Engbert (Bert) Finnema

“Mijn ouders komen in mei 1930 vanuit Driezum in Friesland naar de Beemster en vestigen zich aan de Purmerenderweg. In de Havermeer. Nog in dezelfde maand word ik daar geboren. Omdat er na de lagere school, tegen het eind van de Tweede Wereldoorlog, nog geen goed perspectief is voor vervolgonderwijs word ik tewerk gesteld bij de familie Bleeker. In de kas. Mijn lust en mijn leven. Mijn astmatische bronchitis noodzaakt me echter ander werk te zoeken. Dit vind ik bij de firma de Gruyter op de Kaasmarkt in Purmerend. Daar moet ik onder andere bestellingen opnemen bij klanten in Volendam. Deze werden dan de volgende dag in kistjes door transportbedrijf Beemsterboer naar het palingdorp gebracht en ik bracht deze dan weer bij de klant. Kwam regelmatig met een paar gerookte aaltjes in mijn broodtrommel thuis.

Ik krijg verkering met Maartje Koster uit de Lekermeer (Wognum) en laat me inschrijven als woningzoekende in de Beemster. Omdat alleen gehuwden zich in die tijd konden inschrijven, trouwen we in 1955 in Berkhout. Een woning is dan helaas nog niet beschikbaar. Dus wonen we achtereenvolgens in bij mijn en haar ouders. Met enige regelmaat meld ik me op het gemeentelijk spreekuur op maandagavond in het Gemeentehuis aan de Leeghwaterstraat. Daar hebben de heren van Meurs en Muntjewerff zitting. Helemaal boven in het markante gebouw. Zij gaan over de toewijzing van woningen. In het voorjaar van 1956 krijgen we bericht dat er woonruimte is in de middelste van de drie diaconiewoningen naast de Vermaning. Deze zijn in bezit van de Doopsgezinde Gemeente Beemster en Oosthuizen. Maar het bestuur heeft de toewijzing uitbesteed aan de burgerlijke gemeente. Een kleine woning weliswaar. Oud. Maar het zou slechts tijdelijk zijn. Want we blijven ingeschreven en komen dan in aanmerking voor een (toekomstige) woning aan de Cornelis ten Hoopestraat. We zijn zeer content met de toewijzing. Een woning ‘op de ruimte’. Dat waren we ook wel gewend. Mei van dat jaar trekken we in onze eigen woning.

De huur bedraagt twee gulden in de week. Op maandagavond rond zeven uur persoonlijk te overhandigen aan de koster Dubbeld in het voorhuis van de Vermaning. De middelste woning is weliswaar het grootst maar biedt uiteindelijk niet voldoende ruimte voor ons groeiende gezin. 

Onze buren aan de west- en oostzijde zijn vader Jaap en zoon Dirk Regter. Zij zijn daar in 1951 al komen wonen. Kort na elkaar. Als vader Jaap in 1968 vertrekt, krijgen we ook de beschikking over deze meest westelijke woning. Geen overbodige luxe want er zijn inmiddels vier kinderen geboren. Door de uitbreiding van ruimte kan er een extra slaapkamer en aparte keuken getimmerd worden. De bedstedes krijgen de functie van kast.

De Regters telen druiven. Frankenthalers. De kwetsbare trossen worden aan hun steeltje middels een touwtje op zolder gehangen. Op gezette tijden worden we als buren uitgenodigd om onder het genot van een koppie thee en een praatje een druifje te prikken.

Aan de andere kant komt op enig moment chauffeur Hiemstra wonen. Een neef van mij. Deze rijdt olietransport van Leeuwarden naar Duyvis in Zaandam. Met een oplegger met olievaatjes. Op de terugweg naar Friesland doet hij dikwijls even de familie aan. Voor een koppie. Bij een van die bezoeken besluit hij de meest oostelijke woning te huren. 

Begin jaren ’70 krijgen we bericht in aanmerking te komen voor de toegezegde woning op de Buurt. We stellen het Kerkbestuur hiervan op de hoogte. Deze wil ons echter graag houden. We zijn weliswaar niet Doopsgezind maar verrichten wel allerlei klussen in en rond de Vermaning. Ze weten dat bij leegstand de woning onbewoonbaar en dus gesloopt gaat worden. We krijgen het voor elkaar dat we het hele pand tot onze beschikking krijgen en deze voor eigen rekening mogen verbouwen. In ruil daarvoor hoeven we geen huur meer te betalen. Daar heb ik wel oren naar. Werk ondertussen bij Bruijnzeel in Zaandam. Dat levert voordelen op. In overleg met de aannemer Buis wordt een tekening gemaakt. Het interieur wordt totaal gesloopt. Op advies van de aannemer, zorgen we ook voor grondige isolatie. Hoewel de Technische Dienst tegen verplaatsing van de toegangsdeur is, krijgen we gedoogsteun om hiervan toch een echte voordeur te maken.

De schoorstenen worden gesloopt. We stoken op olie met een 1200 litertank in de tuin. De smerige stenen, pek van jarenlang stoken, worden dankbaar aanvaard door een van de buren. Er moet een slootje gedempt worden. Grond over het puin en niemand die er naar kraait.

Aanvankelijk was de gedachte om ons erfje met een hek af te scheiden van het grote grasveld. Want het was strikt verboden daarover te lopen. Zeker in het voorjaar. Het gras dient voor het hooi van de gestalde paarden en later wordt het door de koster verhuurd aan Jongens op de Buurt. Die erfafscheiding is er nooit gekomen.

In de loop der jaren wordt de woning aangesloten op tal van voorzieningen en wordt er in overleg toch een huurprijs bedongen. Op 5 april 2019 verhuizen we naar de Buurt.”

Geert

Top