U bent hier
Home > Nieuws > Zestig jaar priesterschap Beemsterling Jan Duin

Zestig jaar priesterschap Beemsterling Jan Duin

Jan Duin is zestig jaar geleden tot priester gewijd. In verband met de Coronamaatregelen konden geplande activiteiten rond dit memorabele feit geen doorgang vinden. Het beperkte zich tot diensten met bescheiden omvang in zowel Westbeemster als Purmerend. Binnendijks ging bij de jubilaris op de thee. (Op de archieffoto: Jan Duin en Nico Schroevers in ontspannen afwachting van hun optreden tijdens de openluchtdienst tijdens de Beemster Feestweek 2019)

“Ik ben in 1934 aan de Middenweg geboren. Een gezin van vijf kinderen. Moeder stierf in 1938 toen de jongste één jaar was. Vader overleed zeven jaar later. Kort voor de bevrijding. Zeer schokkende ervaringen voor het gezin. We kregen een voogd toegewezen en er was steun van een bevriend kapelaan. Maar het werk in de huishouding kwam grotendeels neer op onze zus Riet, toen zij volwassen was.

Ik ging naar de Lourdesschool in Westbeemster. De schooldag daar begon standaard met een kindermis in de kerk. Daar groeide al voor mijn pubertijd de fascinatie voor de gewijde rituelen door de jonge kapelaan op het altaar. Omdat mijn oudere broer Niek de landbouwschool volgde en op het bedrijf van vader zou komen, lag de weg voor mij open om een ander pad te kiezen.

In die tijd werd in Purmerend een poging ondernomen om een katholieke Mulo te starten. Pastoors uit de omgeving moesten leerlingen na de lagere school stimuleren om daar heen te gaan. Omdat ik te jong was voor het Klein Seminarie, ging ik ook naar de Mulo. Voor een jaar. Toen was het bestaansrecht van de school verzekerd en kon ik toelatingsexamen doen om toegelaten te worden tot het Klein Seminarie Hageveld in Heemstede. Het eerste jaar telde wel honderd leerlingen. Uit het hele bisdom. Met zijn allen op een grote zaal met chambrettes. Slaaphokjes afgescheiden met manshoge houten wanden en een gordijn als deur. Een surveillant controleerde of we wel op tijd naar bed gingen. We mochten pas tweede Kerst- en Paasdag naar huis. Want dan beleefden we de intense liturgie van die twee belangrijke periodes in het internaat aan den lijve. We kenden een strak dagritme. Zes uur op. Half zeven dienst in de kapel. Zeven uur studeren tot half acht. Dan in stilte het ontbijt waarbij voorgelezen werd. Daarna hadden we even tijd voor onszelf. Waarna zo rond half negen de reguliere lessen begonnen. Twaalf uur was weer een stil gebed in de kapel. Gevolgd door het warme middageten in de refter. Waar wel vierhonderd jongens aanwezig waren. ’s Middags hadden we dan weer gewoon les. We kregen alle vakken onderwezen welke ook op een gewoon gymnasium werden gegeven. Met een overdaad aan Grieks, Latijn en Liturgie. Maar ook Nederlands, Wiskunde, Natuurkunde. En minimaal tweemaal per week gym. Na zes jaar gevolgd door een staatsexamen.

Daarna volgde het Groot Seminarie in Warmond. Met het accent op Filosofie en Theologie. Een brede studie. Want we deden ook aan toneel, literatuur, dichtkunst. Dat sprak me enorm aan. Na twee jaar verhuisden we naar het pand ernaast: het Theologicum. Een vierjarige opleiding Theologie in de brede zin van het woord. Bijbelexegese en –kennis, spiritualiteit, Kerkgeschiedenis. We brachten onze kennis ook in de praktijk. Bij elkaar in kleine groepen maar ook preken in de parochies rondom en catechisatie op scholen. Ik vergeet nooit dat mijn leraar na mijn eerste preek zei: “Het was uitstekend. Ik heb er niets van verstaan”. We accepteerden dat we celibatair moesten leven want we hadden een hoger doel voor ogen: de wijding tot priester. Dat gebeurde in 1960, toen ik zesentwintig was.

Met een collega van mij gaf ik gehoor aan de oproep van de toenmalige Paus om tijdelijk te gaan werken in een ontwikkelingsland. Dat werd Tanzania. Twee jaar hebben we met veel liefde het missionariswerk voortgezet. Onder leiding van een Canadese pastoor. Er bleek veel draagvlak onder de bevolking om gedoopt te worden en het was opvallend dat de bevolking orthodoxer ingesteld was. Er werd bijvoorbeeld voorgesteld om een kerk te stichten in de vorm van een traditionele hut. Maar ze wilden een kerk met een toren. Zoals in de westerse wereld.

Terug in Nederland was de invloed van de vooruitstrevende Paus Johannes XXIII merkbaar. Hij dacht met ons mee en wij met hem. Ik werd benoemd in Zandvoort. Een bloeitijd voor de priesters. In die tijd heb ik me ook liturgisch vrijer leren ontwikkelen. Zal nooit vergeten dat ik om twaalf uur met de pastoor een glaasje wijn dronk voor het middagmaal en onze huishoudster een glaasje Vermouth. Na dat ene glaasje bracht ze de glazen acuut naar de keuken.

Na twee jaar heb ik op verzoek een overstap gemaakt naar het middelbaar onderwijs op mijn vroegere seminarie. Intussen omgevormd tot bisschoppelijk college. Ik gaf er als priester-leraar handvaardigheid. Dat heb ik ruim zeven jaar gedaan. Ongeveer de helft van het onderwijzend personeel was leek.

Toch bleef het pastoraats-werk als priester lonken. De overstap naar de functie van jongerenpastor in Warmenhuizen lag, gezien mijn brede ervaring met de jeugd, voor de hand. Gevolgd door een overstap naar Schagen. Ook weer een geweldige tijd. In de geest van de sociale beweging, richtten we werkgroepen op om de mensen meer bij de kerk te betrekken en draagvlak te creëren. Daarna kwam Almere. Een hele uitdaging. Opvallend dat ik zo ongeveer elke zeven jaar van plek veranderde. Dan begon het te kriebelen. Ik werkte daar samen met een getrouwd diaken. Na ons eerste gesprek stonden we beiden aan een kant van mijn Mini. Hij lang. Ik kort. “We gaan het samen best redden”, waren zijn profetische woorden. Ons werkgebied werd steeds breder. Een combinatie van nieuwe inwoners uit Amsterdam en agrariërs uit Zeewolde. Ik kon me prima vinden in die mix. Vooral in deze periode heb ik mijn oecumenische inslag ontwikkeld tot in de Beemster.
Door mijn goede contacten in het Gooi kwam ik na ongeveer zeven jaar in Huizen terecht. Later aangevuld met Blaricum. Mijn laatste vaste standplaats. Daar ben ik zo’n twaalf jaar gebleven. Tot mijn pensioen op 66 jarige leeftijd.

In Almere heb ik bewust gekozen om zelfstandig en alleen te gaan wonen en mijn eigen huishoudelijke klussen te klaren. In wezen ben ik een solist, al kan ik niet zonder mensen. Wel bestond het voornemen met mijn zus Riet om na mijn pensionering samen in één huis te gaan wonen. Maar elk met zijn eigen ruimte. Riet wilde niet naar het Gooi. Dus werd het de Beemster. Samen in de beheerders woning van Zuiderhof. Helaas is Riet enkele jaren geleden overleden. Ik heb hier opnieuw een sociaal leven opgebouwd. Fietsen. Schilderen en yoga. Om maar wat activiteiten te noemen. Ik werd actief binnen het Bijbels leerhuis. Eerst als deelnemer en later ook als mede organisator. Samen met dominee Nico Schroevers. We kunnen het uitstekend met elkaar vinden. Ik heb hem leren kennen door het Projectkoor. Allebei bas. We stonden naast elkaar. Zo ist gekeumen.
Als priester mag ik nog steeds de zeven sacramenten bedienen. Ik word ook nog regelmatig gevraagd bij bepaalde gebeurtenissen, met name uitvaarten. Hier en elders. Waar mogelijk geef ik daar gehoor aan. Maar nu als vrijwilliger. Met medeweten van de huidige pastoor.

Geert

Top