U bent hier
Home > Nieuws > De Beemster Kermis; in twee Gezangen (deel 2)

De Beemster Kermis; in twee Gezangen (deel 2)

Jan Bartelink

Dag Twee

Bartelink bereikt veilig zijn onderkomen voor de nacht. De volgende ochtend gaat hij weer op stap. Als eerste ontmoet hij een dronken man die wraak zweert (citaten in dialect uitgesproken; GH):

“Toen ik een dronken Boer, al slingerende aan zag komen;
Zijne ogen waren blauw, zijn neus was dik en rood,
En ’t pijnlijk gelaat zo bleek gelijk de dood,
De rok hing slordig om zijn afgematte leden,
Hij was beslikt, bemorst, van boven tot beneden,
Het allerbeste pak was hier met bloed bespat,
En daar bespogen, door het ingezwolgen nat:
Hij kruisbeent ginds en weêr, met half gebroken woorden
Spreekt hij mij aan, en zegt: ,, Ik zelden schoft vermoorden
,, Met deuze vuisten, Heer! ken jij Kees Claaszen niet?
,, Het is zijn schuld dat jij mijn zo gehavend ziet.
,, ‘k Gae daelik naer den schout, ik zel het Kees betaelen, –
,, Dat zweer ik, Heer! jae ik, de duivel zel hum haelen,
, ‘k Ben ien fatsoenlijk knecht, en weun hier in de buurt,
,, Mijn vaêr is Pieters Jan, mijn moêr hiet mooie Guurt, ,
‘k Ben nou te nobis, Heer! aérs ken ik anders vegten,
,, Ik zel dien luishond, baes! wel naeder onderregten,
,, Jae, jae, ik el, ik zel…, ik bin niet bang voor twee,
,, Neen, Heertje! neen, ik lei welmeêr ien frisſche snee”,
De gramme Dronkaart bromt, met stamelende vloeken,
En zweert, bij kop en keel, zijn vijand op te zoeken”

Geen fraai begin van de dag. Gelukkig komt de moeder van de boer er aan om de boel te zussen. Bartelink ontmoet een goede vriend. Samen kopen ze een fles ‘alzemwijn’ en gaan richting het vee. Daar worden ze begroet door het oorverdovend geloei van stieren, ossen en koeien. Een koopman verhaalt hoe het best een rund te keuren en hoe de handel gaat. Een aantal Drentse en Twentse poepen blijven staan. Dan hoort Bartelink twee zangeressen een opvallend lied ten gehore brengen:

“Zij sparren haren mond, en schreeuwen een nieuw liedjen,
Hoe Joris was beticht een kind bij Tames Grietjen
Te hebben, buiten beens, doch dat een heer uit stad
De echte vader was, maar kuit geschoten had,
En daarom Joris met een hoornen -kroon zou pralen,
Die Rijkhart langs hoe meêr met goud zoude overhalen.”

Hij heeft genoeg gehoord en gaat naar de barbier om geschoren te worden. Erg hygiënisch gaat het er niet aan toe. Een vieze doek om de nek en het mes is niet scherp. Tot overmaat van ramp heeft de barbier trillende handen omdat hij nog geen neutje heeft gehad!

“Zo raspt hij a la mode, zo zaagt hij met zijn mes,
Zo vilt hij mijn gelaat, en geeft me een sneê vijf zes,
En onder ’t schrapen, zwetst hij met bevalligheden,
Gelijk een boeren schout, of schoolvos, die hun reden”

Telkens als Bartelink meent een veilig heenkomen te kunnen zoeken, steekt de barbier weer een nieuw verhaal af. Uiteindelijk weet hij met een fikse fooi het pand te verlaten. Hij loopt verder over het plein vol vertier:

“Nu zie ik hier een rij van opgeslagen tenten
Met zoetgebakken waar, met speculatie staan,
Theerantjes, vendeloos en koekjens met saffraan.
De Koeknecht schud den buul, ontknoopt de vaste banden
En krabbelt op den naad, maar krijgt niets in de handen,
Hij kocht zo gaerne voor de meid een bolle koek,
Ja maar! wat zal hij nu? het geld is uit de broek,
’t Was gister avond reeds door ’t keelgat heên gevlogen,
En hikkend op het veld te beestig uitgespogen; “

Natuurlijk moet er weer gegeten worden:

“Bij Kees den bakker, ‘k vind een redelijk onthaal,
Een beste runderharst, voor ’t kermisfeest geslagen,
Wordt bij den mosterdpot, met suiker, opgedragen,
Een ijder zet zich neer, ik plaats me ook aan den dis,
Een set van ‘ geen bij Kees in huis gebraden is,
De bakkerin brengt ons den wijn, en keur van bieren,
En helpt ons, op haar boersch, de Beemster Kermis vieren, “

Na de maaltijd handelt hij met een koopman over een bril en belandt hij in een wagenspel om tenslotte huiswaarts te keren. Het begint immers te schemeren.

“Met luisterrijker glans, ik word door d’avondstond
Genoopt tot afscheid, en verlaat den Beemstergrond,
Om steêwaard mij te spoên: Vaartwel, gij Veldelingen!
De Dichtlust dreef mij aan, om op uw feest te zingen:
De vloeiende Overvloed zij aan uw regtehand,
En stort heur’ rijkdom uit op uwen stulp en land!
De Veepest eindige, en de runderschaar zal groeien,
Das zal uw boterbloem voor veld en steden bloeien,
En wij genieten ’t vet dat uwe klaver zweet,
zo krijgt de Landman vrucht dat hij zijn vijf besteedt”

Geert

(spelling op sommige punten aangepast om de leesbaarheid te bevorderen)

Top